Nieuwe spuisluizen Den Oever testen: zo werkt het in praktijk

Om meer water uit het IJsselmeer naar de Waddenzee af te kunnen afvoeren, hebben we nieuwe spuisluizen en een gemaal gebouwd. Belangrijk is dat nieuwe objecten getest worden tegen allerlei soorten scenario’s, zoals situaties met noodweer of een brandmelding. Deze zogeheten ‘Site Integration Test Operationeel’ (SIT-O) is belangrijk voordat de spuisluizen in gebruik kunnen worden genomen.

Om te kijken of een spuisluis technisch goed werkt, vinden er verschillende testen plaats. Bram Beijer, technische manager bij Rijkswaterstaat, vertelt: “Denk bijvoorbeeld aan fabriekstesten en testen op de bouwplaats. Als we deze testen succesvol doorlopen met de opdrachtnemer en het ingenieursbureau, komen we aan bij de SIT-O. “Als Rijkswaterstaat ben je ervan overtuigd dat iedereen alle procedures goed kent, maar is dat ook zo?”, vervolgt Beijer.

Noodsituaties

Met de SIT-O kijkt Rijkswaterstaat of alle bedienknoppen, verbindingen en systemen goed werken op locatie. Waarbij ook wordt beoordeeld of de sluisbediening en onderhoudsmonteurs de nieuwe objecten adequaat kunnen onderhouden. Volgens Julian Fijma, assetmanager Bruggen en Sluizen bij Rijkswaterstaat, is het ook belangrijk dat een brede groep mensen de procedures kent in noodsituaties: “Zo toetsen we of de sluisbediening, de beheerders en de onderhoudsmonteurs de procedures kennen in bepaalde scenario’s zoals in het geval van noodweer, brand of stroomuitval. Hoe wordt de brandweer gealarmeerd bij brand? En weet de brandweer waar die naar toe moet rijden? Weten de onderhoudsmonteurs óók hoe zij een schuif laten zakken bij stroomuitval of een storing?’’ Volgens Fijma ligt de focus op om een goede samenwerking, duidelijke communicatie en de juiste expertise met daarbij vakbekwaamheid.

Vijf scenario’s

Omdat het testen van alle scenario’s tijdrovend en kostbaar is, toetst Rijkswaterstaat vijf scenario’s met de nieuwe spuisluizen. De scenario’s zijn gekozen op basis van de nieuwe objecten en bediening, en niet eerder geteste scenario’s. Op deze wijze wordt er door alle betrokken partijen geleerd en weet men hoe te handelen in verschillende situaties.’’ aldus Fijma. Volgens Beijer test Rijkswaterstaat vijf scenario’s in ongeveer drie dagen. “Eerst startten we met het testen van de objecten, dus de schuiven en de pompen van de nieuwe spuisluizen. De bediening van de oude spuisluizen testen we ook, vooral om te kijken of dat goed gaat”, aldus Beijer. Hij vervolgt: “In de avond testten we het tweede scenario met de brandweer. We controleren dan of de brandweer op tijd aanwezig is na een brandmelding. Zijn ze bekend met de aanrijroutes en de locaties? En hoe verloopt de communicatie met de brandweer? Zo moet de bedienaar de juiste assistentie verlenen om de brandweer van dienst te kunnen zijn. De volgende dag testten we het derde scenario, namelijk noodweer zoals storm en ijzel.”

Beijer geeft aan dat de schuiven van de spuimiddelen in het derde scenario handmatig worden getest. “Er wordt gekeken of de bedienaars weten wat zij moeten doen en of het behaald wordt binnen een bepaalde tijd.” In het vierde en vijfde scenario wordt ook naar gekeken naar de bediening, maar in verschillende toestanden. Bijvoorbeeld bediening vanaf andere locaties.

Puntensysteem

Maar hoe weet je of een testprotocol geslaagd is? Fijma geeft aan dat er gewerkt wordt met classificaties en een puntensysteem:

“We hanteren verschillende classificaties per afwijking in het proces. Is het bijvoorbeeld een afwijking die ertoe leidt dat een systeem, proces of techniek faalt? Dit betekent dat de veiligheid of functionaliteit in gevaar is. Dan krijgt het de classificatie “Fataal (F)” en zal de test daarmee direct gefaald zijn. Als het gaat om een afwijking die ertoe leidt dat een klein onderdeel faalt, dan krijgt het minder punten. Hierbij gaat het dan om de classificatie Kritisch (K) met twintig punten, Ernstig (E) met acht punten of Onjuist (O) met vijf punten.”

Volgens Beijer is een test geslaagd als de score minder dan honderd punten bedraagt. “Ondanks de geslaagde test is het wel belangrijk dat de restpunten gecorrigeerd worden en eventueel opnieuw moet worden getest” aldus Fijma.

Een testprotocol als de SIT-O wordt vaak uitgevoerd bij nieuwe kunstwerken zoals sluizen, stuwen, gemalen en stormvloedkeringen. Maar volgens Fijma is het ook gebruikelijk dat een testprotocol wordt toegepast bij groot onderhoud aan een installatie of wijziging van de bediening- of besturingssoftware: “We testen dan opnieuw of alle afzonderlijke systemen samen correct functioneren op locatie. Het is technisch, maar belangrijk werk.” Beijer en Fijma geven beiden aan dat geen dag hetzelfde is. “Dat is ook het leuke van dit werk. Ik ben bezig  met het vervangen van kapotte hekwerken van sluizen tot grote aanlegprojecten waarbij we nieuwe kunstwerken aan het bouwen zijn,” vertelt Fijma. Beijer verwoordt het als volgt: “Het is niet alleen technisch werk, maar ook mensenwerk. Je ontmoet verschillende mensen en je leert goed samenwerken. Daar draait het om”.

Nieuwsarchief